Autisme

Autisme is een levenslange, vaak onzichtbare, handicap die invloed heeft op alle levensgebieden in alle levensfasen. De handicap brengt specifieke sterke en zwakke kanten met zich mee. De meeste mensen met autisme hebben in meer of mindere mate hun leven lang deskundige begeleiding nodig. Met meer begrip van de omgeving en de juiste begeleiding kunnen veel mensen met autisme naar school of werken, relaties met anderen onderhouden en daardoor een zin- en betekenisvolle rol in de samenleving hebben.

Ruim één procent van de Nederlanders – ca. 190.000 mensen – heeft een vorm van autisme. De kans is dus groot dat iemand in uw directe omgeving autisme heeft: in uw familie, in uw vrienden- en kennissenkring, op school of op het werk.


Autistische stoornissen vallen onder de psychiatrische stoornissen en worden geclassificeerd volgens de criteria van de DSM-IV-TR, een systeem dat wereldwijd gebruikt wordt. Binnen deze criteria worden vijf subgroepen van autisme onderscheiden:

(Klassiek) Autisme
Asperger
PDD-NOS

(Klassiek) Autisme

De autistische stoornis wordt ook klassiek autisme, kernautisme of Kannersyndroom genoemd. Leo Kanner was een Oostenrijkse kinderpsychiater die in Amerika werkte en als een van de eersten in 1943 autisme beschreef als een apart syndroom. Hij gaf het de naam early infantile autisme, ofwel vroeg kinderlijk autisme. Het duurde daarna nog zeker dertig jaar voordat autisme opgenomen werd in de officiële classificatiesystemen.

Volgens de DSM-IV-TR is er sprake van een autistische stoornis als iemand voldoet aan drie criteria:

  1. kwalitatieve beperkingen in sociale interacties;
  2. kwalitatieve beperkingen in verbale en non-verbale communicatie;
  3. beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding.

Deze drie criteria zijn elk onderverdeeld in een aantal items. We spreken van een autistische stoornis als er sprake is van ten minste zes van deze items, waarvan minimaal twee bij het eerste criterium en minimaal één bij het tweede en één bij het derde criterium. Vóór het derde levensjaar moet er sprake zijn van een achterstand of van een abnormaal functioneren in deze criteria. De stoornis mag niet toe te schrijven zijn aan het Rett-syndroom of aan een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd. Hierna leest u de items per criterium.

1. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties

De items bij criterium 1 zijn:

duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende vormen van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren om de sociale interactie te bepalen

er niet in slagen met leeftijdgenoten tot relaties te komen die passen bij het ontwikkelingsniveau.

tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)

afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid

2. Kwalitatieve beperkingen in verbale en non-verbale communicatie

De items bij criterium 2 zijn:

achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van de gesproken taal (niet samengaand met een poging tot compensatie met alternatieve communicatiemiddelen, zoals gebaren of mimiek)

bij individuen met voldoende spraak duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden

stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik

afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel (doen-als-of-spelletjes) of sociaal imiterend spel (nadoen-spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau

3. Beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding

De items bij criterium 3 zijn:

sterke preoccupatie met één of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in intensiteit of richting

duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen

stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bijvoorbeeld fladderen, draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam)

aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen.

Asperger

De Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger publiceerde in 1944 zijn eerste artikel over een groep kinderen en jongeren met een afwijkend gedragspatroon. Dit gedrag staat tegenwoordig bekend als de stoornis van Asperger. Het heeft lang geduurd voordat de ideeën van Asperger - oorspronkelijk gepubliceerd in het Duits - tot de Engelse vakliteratuur waren doorgedrongen. De stoornis van Aspereger is in Nederland pas sinds de jaren tachtig bekend, Lorna Wing heeft deze term toen voor het eerst weer genoemd.

Mensen met de stoornis van Asperger hebben net als mensen met klassiek autisme problemen met sociale interactie. Ze vertonen beperkte patronen van gedrag, een beperkte belangstelling en een beperkt patroon van activiteiten. Het verschil is de spraakontwikkeling. Mensen met de stoornis van Asperger hebben een normale spraakontwikkeling. Maar dat wil niet zeggen dat ze geen communicatieproblemen hebben. Vooral met de meer subtiele sociale aspecten van communicatie hebben ze problemen. Mensen met de stoornis van Asperger hebben een normale of hoognormale intelligentie.

Zo kan een vierjarige met de stoornis van Asperger woorden gebruiken die niet bij een normale ontwikkeling horen waardoor hij erg wijs kan klinken. Er wordt dan vaak aangenomen dat het kind ook op andere gebieden vaardigheden heeft die goed ontwikkeld zijn. Dit is niet altijd het geval. Daar komt bij dat er voor een goed sprekend kind met een vorm van autisme geen vanzelfsprekend verband is tussen enerzijds wat iemand zegt te weten en te kunnen en anderzijds wat iemand doet en kan.

In de DSM-IV-TR wordt de stoornis als volgt omschreven:

1. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende items:

duidelijke stoornissen in het gebruik van veelvoudig non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren om de sociale interactie te bepalen

er niet in slagen met leeftijdgenoten tot relaties te komen die passen bij het ontwikkelingsniveau

een tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien, brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)

afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid

2. Beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en acitviteiten, zoals blijkt uit ten minste één van de volgende items:

sterke preoccupatie met één of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in intensiteit of aandachtspunt

duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-funcionele routines of rituelen

stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bijvoorbeeld fladderen, draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam)

aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen

3. De stoornis veroorzaakt in significante mate beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen

4. Er is geen significante algemene achterstand in taalontwikkeling, bijvoorbeeld het gebruik van enkele woorden in het derde levensjaar, communicatieve zinnen in het vierde levensjaar

5. Er is geen significatnie achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te helpen, gedragsmatig aanpassen (anders dan binnen sociale interactie) en nieuwsgierigheid over omgeving.

6. Er is niet voldaan aan de criteria van een andere specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie

PDD-NOS

De pervasieve ontwikkelingsstoornis wordt in Nederland vaker benoemd als PDD-NOS: Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified. Aanvankelijk ging men er in de DSM-IV van uit dat er sprake was van PDD-NOS als iemand stoornissen vertoonde op slechts één van de gebieden van de sociale interactie, communicatie of beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten. Deskundigen zijn inmiddels van mening dat PDD-NOS daardoor onverantwoord werd verruimd. Daarom zijn de criteria in de DSM-IV-TR aangescherpt. Volgens de DSM-IV-TR moet er nu ten minste sprake zijn van tekortkomingen in de sociale interactie naast tekortkomingen in de communicatieve vaardigheden of de aanwezigheid van stereotiepe gedragingen, interesses of activiteiten.

Mensen met PDD-NOS voldoen niet aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie, schizo-typische persoonlijkheid of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Tot de categorie PDD-NOS behoren ook de atypische autismebeelden die niet voldoen aan de criteria van de autistische stoornis omdat ze:

  1. zich pas op latere leeftijd voordoen;
  2. een atypische symptomatologie kennen die niet herkenbaar is als tot het autisme behorend;
  3. te weinig symptomen bevatten.

PDD-NOS is in feite een restcategorie en wordt daarom wel de verlegenheidsdiagnose genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat er nog geen duidelijke uitspraak gedaan kan worden of de persoon beantwoordt aan de criteria van een van de andere pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Dat kan komen omdat men niet over voldoende informatie beschikt of omdat er geen informatie over de kinderjaren meer beschikbaar is.

 

 SKJ   Calibris   ANBI   HKZ TEL