Autisme in cijfers

Het voorkomen van autismespectrumstoornissen

Traditioneel werd aangenomen dat het voorkomen van autisme 4 à 5 op 10.000 bedroeg. Voor het hele spectrum werd het voorkomen geschat op 22 à 25 op 10.000. Stilaan hebben we het getal voor autisme zien stijgen tot 10 en later zelfs 20 op 10.000. In sommige studies worden nog hogere aantallen vermeld. Voor het hele spectrum kwamen een aantal recente studies onafhankelijk van elkaar uit op een getal in de buurt van 60 op 10.000 of 1 op 166 personen. Ook hier zijn er af en toe uitschieters, tot zelfs meer dan 1%. Het is echter heel moeilijk om studies met elkaar te vergelijken. De verschillen in resultaten hebben ondermeer te maken met het opzet van de studie, de grootte van de steekproef en de strengheid waarmee de diagnostische criteria worden gehanteerd. Het cijfer van 60 op 10.000, of 0,6% lijkt voorlopig een vrij algemeen aanvaard compromis te zijn. Ook een recente, kleinere studie bij Vlaamse kleuters kwam op dit getal uit. De cijfers voor het syndroom van Asperger vertonen het meest variatie en zijn daarom weinig betrouwbaar. Voorlopig gaan we uit van een vrij conservatieve schatting van 2,5 op 10.000.

Autistische stoornis 

10 à 20 personen op 10.000

Autismespectrumstoornissen 

60 personen op 10.000

Syndroom van Asperger

2,5 personen op 10.000

 

De huidige cijfers komen vooral van Europese en Noord-Amerikaanse studies. Recent verschenen ook de eerste Aziatische studies. Op studies uit andere delen van de wereld is het nog wachten, maar op een enkele, kleine etnische groep na, lijkt autisme wereldwijd voor te komen.

Komt autisme vaker voor?

Er is op dit moment geen enkel bewijs dat autisme of autismespectrumstoornissen vaker voorkomen dan vroeger, al kan dit anderzijds ook niet helemaal uitgesloten worden. De stijging in de prevalentiecijfers (het cijfer dat uitdrukt hoe vaak een stoornis voorkomt) kan echter evenzeer toegeschreven worden aan aanpassingen in de diagnostische criteria in de loop der jaren en aan een betere opsporing en een meer nauwkeurige en snellere diagnosestelling. Vooral bij personen met een normale of grensnormale begaafdheid wordt autisme nu beter onderkend.

Verhouding normaal begaafd en verstandelijke beperking

Lange tijd werd aangenomen dat 70 tot 80% van de personen met een autismespectrumstoornis ook mentaal geretardeerd of verstandelijk beperkt was. Dat is nog steeds zo voor autisme wanneer we heel strenge diagnostische criteria hanteren. Maar wanneer we de criteria iets minder nauw interpreteren, zien we dat de verhouding tussen wel of niet verstandelijk beperkt binnen het gehele spectrum eerder opschuift naar 50/50. In sommige onderzoeken is er zelfs een meerderheid van personen met een normale of grensnormale begaafdheid. Het lijkt erop dat een 'pure' vorm van autismespectrumstoornis meer en meer de norm aan het worden is.

Verhouding jongens en meisjes

Wat wel steeds relatief ongewijzigd is gebleven, is de verhouding jongens/meisjes: 3 à 4 jongens tegen één meisje. Het verschil in voorkomen tussen beide geslachten is overigens gekoppeld aan het IQ. Binnen de groep met een normale tot betere begaafdheid kan de verhouding oplopen tot 9 jongens tegen één meisje. Bij mensen met een ernstige verstandelijke beperking kan ze dalen tot 2 op 1. Het is nog niet duidelijk waarom dit zo is.

 SKJ   Calibris   ANBI   HKZ TEL